–Tsipoúra!
De anderen kijken onmiddellijk op, in een vreemde mengeling van opwinding en jaloezie: heeft-ie ’m? De punt van de viermeter zwiept omhoog… Te snel. Te licht.
Het gemompel verraadt zowel teleurstelling als opluchting, en ieders aandacht richt zich snel weer op het eigen stukje haven; hier en daar echoot alleen Yanis’ kreet nog, vriendelijk spottend: tsipoura… tsipoura… maar hij heeft al een nieuw vliegje aan de lijn geknoopt en werpt deze behoedzaam uit, onderhands, en onbewogen als de zee waarin de druppels van zijn zo-even uiteengespatte droom allang weer zijn opgenomen. Daaronder zwemt hij ergens, móét hij zwemmen: de vis van goud, afwachtend, proevend, als wou hij zorgvuldig degene uitkiezen die hem mag ophalen, diegene wiens leven hij de glans zou geven die het nu ontbeert, zíjn glans, zíjn leven.
Boven, aan de kademuur, bij het enige stuk nog met de oude balustrade, aan de kop van de haven staan de mannen die aan hun herinneringen genoeg hebben om te weten. Elke dag weer zijn ze er, de hele dag, tot het uur dat de glinstering van ontelbare gouden vissen reikt tot bij de horizon om stilaan weg te trekken uit de haven, naar de diepte van de zee. Zij hebben gezien wat één van hen aan de haak had, God weet hoe lang geleden al, en God weet waarom het niet mocht zijn… Michalis’ zwijgen, zijn oud sprekend zwijgen, en zijn glimlach begeleiden de verhalen, ontkennend, bevestigend, al naar je ’t zelf gelooft: vijf voet, veertig pond. Minstens. En die glans…